Negatieve getallen 8 | een plus-getal en een min-getal optellen

optellen plus-getal en min-getal | optellen van bezit en schuld

leerwerkboek brugklas

rekenen met getallen
negatieve getallen
oefening 19 en 20

Videotekst

geen opdracht tussen getallen betekent optellen

-3+7
Die -3 is een negatief getal, die min hoort bij de drie.
+7, dat is een positief getal.
En je ziet verder geen opdracht, dus moeten we die twee getallen bij elkaar optellen.
Dus er staat dus eigenlijk: -3 + +7

splitsen en wegstrepen

We hadden dus -3+7 en we moeten die twee getallen bij elkaar optellen.
Je zou die +7 kunnen splitsen.
Kijk je zou dit kunnen doen, ik schrijf even een =teken er achter, die -3 schrijf ik over en voor die +7 schrijf ik +3+4 want dat is samen +7.
Nu zie je dat je mag wegstrepen, dus ik ga die -3 wegstrepen tegen die +3 en dan zie ik dat het antwoord +4 is.

kijk bij een plus-getal en een min-getal naar het verschil

We zagen net dat -3+7 gelijk is aan +4 en dat deden we door die +7 te splitsen in +3 en +4
Maar dat splitsen, dat is eigenlijk helemaal niet nodig.
Want als je nu even niet op de plussen en minnen let maar alleen kijkt naar de losse getallen, dan zie je een 3 en een 7 en in het antwoord zie je een 4.
En die 4, dat is het verschil tussen 3 en 7.
Ik schrijf het sommetje daarom nog een keer op en dan kun je het als volgt doen.
Je kijkt alleen naar die losse getallen, 3 en 7, je schrijft het verschil op, dat is 4, en nu ga je voor dat antwoord nog een plus of een min schrijven.
De 7 is groter dan de 3 en vóór die 7 stond een plus en daarom moet voor het antwoord ook een plus staan.

kijk eerst naar het verschil, dan naar het teken van het antwoord

Nog een voorbeeld.
+8-10
Je hebt een plus-getal en een min-getal en we kijken daarom naar het verschil.
We kijken alleen naar de losse getallen zonder de plussen en minnen en dan zien we een 8 en een 10 en het verschil daartussen is 2.
Die twee schrijf je op en nu kijk je weer naar de som.
10 is groter dan 8 en vóór die 10 staat een min, dus voor het antwoord moet ook een min.

rijtje voorbeelden

Hier zie je een heel rijtje sommetjes.
Probeer zelf steeds mee te doen met het maken van het antwoord.

+4-9
Ik kijk alleen naar die 4 en die 9 want ik heb een plus-getal en een min-getal.
Ik neem het verschil tussen die 4 en die 9 en dat is 5.
Die 5 schrijf ik op.
En nu kijk ik naar de vraag, naar 4 en 9, 9 is groter dan 4.
Vóór die 9 staat een min, dus voor het antwoord moet ook een min.

-4+9
Weer een min-getal en een plus-getal, dus ik kijk weer naar het verschil tussen 9 en 4 en dat is 5.
9 is groter dan 4 en vóór de 9 staat een plus, dus in het antwoord moet ook een plus.

+12-8
Weer een plus-getal en een min-getal, dus ik kijk weer naar het verschil en dat is 4.
12 is groter dan 8, voor de 12 staat een plus, dus in het antwoord moet ook een + komen.

-100-20
Hier staat niet een plus-getal en een min-getal maar er staan twee min-getallen.
Dan kun je dus denken aan twee schulden en als je twee schulden bij elkaar op moet tellen, dan krijg je een nog grotere schuld.
Je krijgt dan een schuld, dus een min, van 120.

-100+20
Nu heb je wel een min-getal en een plus-getal, dus nu kijk je weer naar het verschil van 100 en 20 en dat is 80.
Voor de 100 zie je een min staan, dus in het antwoord komt ook een min.

+30-40
Een plus-getal en een min-getal.
Het verschil tussen 30 en 40 is 10.
Voor de 30 staat een plus en voor de 40 staat een min, dus in het antwoord komt een min.

zelf oefenen

Hier zie je weer een rijtje sommetjes en nu moet je ze helemaal zelf proberen te maken en zet daarom de film even op stop en schrijf de antwoorden op een kladblaadje.

Als je een antwoord niet begrijpt, bekijk dan dit filmpje nog een keer.
De derde som, 25-75, betekent +25-75